Open brief


AAN DE HERDERS VAN DE KATHOLIEKE KERK


en voor informatie

 

AAN HEEL HET VOLK VAN GOD

 

Beste Bisschoppen,
Onlangs heeft de Heilige Stoel een
'Instructie over de medewerking van lekengelovigen
aan het dienstwerk van de priesters',

gepubliceerd, ondertekend door de verantwoordelijken
van acht Vaticaanse Congregaties.
Deze Instructie heeft een stevige kritiek opgeroepen,
zelfs van de kant van leden van het College van Bisschoppen.
Ook wij hebben dit document aan een onderzoek willen onderwerpen,
want wij menen dat de opvattingen en leerstellingen die van het leergezag komen
belangrijke bijdragen kunnen ontvangen van de geloofsgemeenschap

Wij leggen u tien vragen voor en wij zouden graag uw antwoorden ontvangen.

 

 

1. DE BRONNEN

De Vaticaanse Instructie bevat 119 voetnoten, die de volgende verwijzingen bevatten:
· 45 naar de CIC (terwijl binnen de tekst nog 13 maal naar een canon wordt verwezen)
· 29 naar Johannes Paulus II
· 25 verwijzen naar teksten van het Tweede Vaticaans Concilie
· 22 naar Vaticaanse instanties
· 9 naar de Katechismus van de Katholieke Kerk
· 2 naar Nieuwe Testament (Ef.brf/Apok. en Jac. terwijl binnen de tekst nog naar zeven brieven wordt verwezen)
· 1 naar Bisschoppensynode
· 1 naar doorlopende traditie: van Jac. via Thomas en Concilies naar de Katechismus van de Katholieke Kerk

De overgrote nadruk in de voetnoten, die de Instructie kracht moeten bijzetten, ligt op aanwijzingen van de huidige paus, op expliciete of impliciete wijze (want hijzelf heeft de Katechismus van de Katholieke Kerk en het CIC voorgesteld en goedgekeurd; ook de verantwoordelijken van de acht Vaticaanse Congregaties die de Instructie hebben ondertekend, zijn door hem benoemd), 105 verwijzingen in totaal. Naar het Tweede Vaticaans Concilie wordt slechts 25 maal verwezen, waaronder de zeven tekstverwijzingen naar brieven van de apostelen.
Het valt derhalve op dat het gros van de voetnoten die aan pastorale maatregelen van vitaal belang hun grondslag zouden moeten geven, het moeten doen zonder de bronnen van de vier Evangeliën, van de jonge kerk of van de andere christelijke kerken.

Wij vragen: Welk gezag kunnen pastorale bepalingen hebben die gelden voor een miljard katholieken maar de ondersteuning missen van enig historisch-oecumenisch document, vooral van de evangeliën, wanneer dat gezag niet uitdrukkelijk teruggaat op de werken en onderrichtingen van Jezus van Nazaret?

Met andere woorden: Kan een document waarvan de bronnen bijna uitsluitend teruggaan op de laatste 50 jaar en niet op het geheel van de traditie, dus van de voorgaande tweeduizend jaar, werkelijk 'katholiek' genoemd worden?

 

2. HET GEWIJDE (HEILIGE)

Het document gebruikt 54 maal het adjectief 'gewijd' of 'heilig', en wel om aan te geven: 10 maal de heilige eucharistie/communie, 3 maal de Heilige Stoel en 2 maal heilige zalving. Verder 38 maal in verband met de gewijde bedienaren (of: het heilig dienstwerk van de geestelijken, de gewijde herders, de gewijde macht, de heilige wijding, geheiligd met het sacrament van de wijding, de godgewijden). De ene maal dat met 'gewijd' het hele Volk van God bedoeld wordt, betreft een citaat van Vaticanum II over de kerk. Voorts worden ook de priesterlijke gewaden één maal 'heilig' genoemd, maar dit is in de Nederlandse vertaling weggelaten.

Die toevoeging van 'gewijd/heilig', hoewel op het Tweede Vaticaans Concilie gebruikt, komt niet voor in het Nieuwe Testament: het volstaat om een willekeurige bijbelse concordantie op te slaan om te verifiëren of Jezus of de apostelen ooit een dergelijke toevoeging hebben gebruikt in verband met kleding, riten of priesters.

Wij vragen: Tot op welke hoogte kan een document van het leerambt geaccepteerd worden wanneer dit een proces van een 'sacralisering' van ambten en riten introduceert die Jezus of de apostelen in woord noch daad hebben gebruikt, temeer daar Jezus als gewone, niet gewijde leek is opgetreden?

 

3. HET TRINITAIRE DOGMA

Het doet merkwaardig aan om minstens 43 maal het woord 'Kerk' te lezen (zonder het adjectief 'katholiek'!) en slechts 4 maal 'Jezus Christus'.
Geen enkele keer wordt de Allerheiligste Drieëenheid vermeld!

Wij vragen: Wat voor theologisch-dogmatische grond kunnen de overdenkingen en voorschriften van de Instructie hebben indien zij volledig voorbijgaan aan wat het 'centrale' en originele dogma van het christelijk geloof is, namelijk het trinitaire godsbeeld?
Met andere woorden: Als de 'Kerk', uitgetekend door de Vaticaanse Curie en goedgekeurd door de paus, zich theoretisch noch pastoraal richt op de Allerheiligste Drieëenheid, is zij dan nog de Kerk van Vader-Zoon-Geest?

 

4. KONINKLIJK EN PROFETISCH VOLK

In de inleiding van de Instructie lezen wij dat allen 'geroepen zijn tot de opbouw van het Volk van God naar gelang de verschillende dienstwerken en charisma's'. Bevestigd wordt bovendien dat 'gelijk is de waardigheid van de ledematen', 'tussen alle christenen bestaat er gelijkheid ten aanzien van de aan al de gelovigen gemeenschappelijke waardigheid' en dat Jezus Christus 'heeft gewild dat zijn uniek en ondeelbaar priesterschap aan zijn kerk zou worden doorgegeven'. Deze uitspraken hebben de verdienste dat zij oude begraven waarheden in herinnering roepen maar, naar ons bescheiden inzicht, zijn er twee beperkingen die ze doen vervagen. Want:
a) indien de leken geroepen zijn 'ambten en charisma's' uit te oefenen in hun hoedanigheid van 'deelgenoten in het priesterschap van Christus', blijkt in het vervolg van het document die roeping nergens uit want alles komt toe aan de gewijde clerus;
b) indien het Tweede Vaticaans Concilie de Kerk opnieuw heeft voorgesteld als een volk, geheel en al priesterlijk, maakt het ook twee andere wezenlijke kenmerken ervan duidelijk: dat van het 'profetische' volk ('in een voortdurende bekering en strijd tegen de overheersers van deze duistere wereld en tegen de kwade geesten') en dat van het 'koninklijk' volk. Het eerste wordt nauwelijks genoemd, het tweede in het geheel niet.

Wij vragen: Kan dit document van de Curie in overeenstemming geacht worden met de verordeningen van het Concilie, gegeven het feit dat het heel duidelijk ingaat op slechts een deel van de ambtsfuncties van de hiërarchie, ten koste van de rol-functies, de charisma's en de dienstwerken van de rest van het Volk van God?

 

5. DE LEKEN

Volgens de Instructie hebben de leken, zonder enig erkend 'koningschap', geen enkel recht, geen enkele functie binnen de kerk. Zij kunnen niet:
· voorgaan in de eucharistie, zelfs niet bij afwezigheid van een 'gewijde bedienaar';
· dopen;
· de huwelijksplechtigheid vieren;
· de naam van pastor, aalmoezenier, coördinator krijgen of de homilie houden;
· actieve of passieve stem hebben in de priesterraad;
· beslissende stem hebben in de parochie- en bisdomsraden, noch in de raden van economische aangelegenheden;
· de gebeden uitspreken of gebaren maken die voorbehouden zijn aan de celebrerende priester;
· de communie uitdelen, zelfs niet buiten de mis;
· de zalving aan de zieken toedienen;
· uitvaarten leiden;
· in de seminaries studeren of vorming ontvangen;
· Lekengelovigen kunnen in sommige gevallen enkele van de genoemde functies vervullen maar alleen onder twee voorwaarden:
- om tijdelijk het gebrek aan een 'gewijde bedienaar' aan te vullen;
- en pas na de toestemming van de bisschop te hebben verkregen;
· (Een leek mag alleen de homilie uitspreken als hij toestemming van de H. Stoel heeft.)

Wij vragen: Het leerambt verkondigt elke dag dat het leven 'heilig' is, en wel vanaf de bevruchting. Maar hetzelfde leerambt kent aan de (niet gewijde) lekengelovigen geen enkele 'heilige' waarde toe. Wij zouden graag ondubbelzinnig beantwoord zien: zijn de lekengelovigen 'heilig' of niet?

 

6. DE GEWIJDE BEDIENAREN

De Instructie bevestigt dat de zending van de leken een 'werelds karakter' heeft terwijl die van de bedienaren een 'geheiligd' karakter heeft. Zij kunnen:
· bekleed als zij zijn met de 'gewijde macht', optreden 'in persoon' van Christus, Hoofd en Herder;
· met gezag het Woord van God verkondigen, oftewel: preken, katechese geven, in de christelijke leer onderwijzen, de homilie uitspreken;
· het 'munus docendi, sacrificandi et regendi' (ambt van het leren, heiligen en leiding geven) uitoefenen;
· de 'enige uitdelers van de goddelijke geheimenissen' zijn;
· de bisdoms- en parochieraden voorzitten, uitsluitend voor het inwinnen van raadgevingen;
· opgeleid worden in voor hen exclusieve plaatsen (seminaries).

De verantwoordelijken van de Vaticaanse Curie sluiten zich hiermee weliswaar bij het Tweede Vaticaans Concilie aan, maar heel slim laten zij enkele voorwaarden en voorschriften achterwege. Zo bevestigt het Concilie, bijvoorbeeld:
· De bisschoppen moeten 'hun kudde in waarheid en heiligheid opbouwen', zich herinnerend dat wie groter is, moet zijn als de kleinste en wie leider is, als degene die dient' (Lc 22, 26-27);
· 'De bisschop moet de priesters beschouwen als zijn zonen en vrienden, net zoals Christus zijn leerlingen niet dienaren maar vrienden noemt' (LG 28);
· De priesters zijn 'samen met alle christengelovigen, leerlingen van de Heer' (PO 9); zij moeten 'graag naar de de leken luisteren, in broederlijke gezindheid met hun wensen rekening houden, hun ervaring en competentie op de diverse terreinen van de menselijke activiteit erkennen om samen met hen de tekenen van de tijd te kunnen onderkennen' (PO 9);
· 'Zij moeten de veelvormige genadegaven van de leken, lagere zowel als hogere, met geloofszin trachten te ontdekken, ze met blijdschap erkennen en ijverig bevorderen' (PO 9);
· 'Eveneens moeten zij vol vertrouwen taken ten dienste van de kerk aan de leken toevertrouwen, terwijl zij hun vrijheid en ruimte van handelen laten, hen er zelfs op een geschikte manier toe brengen om ook eigener beweging werkzaamheden op zich te nemen' (PO 9);
· 'Tenslotte zijn de priesters te midden van de leken aangesteld om allen te leiden tot de eenheid van liefde, elkaar hartelijk beminnend met broederlijke genegenheid en elkaar overtreffend in eerbetoon' (PO 9).

Wij vragen: Hoe wettig is een kerkelijk document dat uit gezagvolle teksten onderdelen haalt die hun betekenis wijzigen tot het punt dat ze 'twee klassen gelovigen' in het leven roepen die het Concilie, als niet in overeenstemming met het evangelie, niet heeft willen handhaven?

 

7. LITURGIE

In de Constitutie over de liturgie hebben de concilievaders van Vaticanum II zich beijverd dat:
· 'de christenen bij dit geloofsmysterie (van de eucharistie) niet als buitenstaanders of zwijgende toeschouwers aanwezig zijn' (SC 48).
· 'Het vaste misritueel moet zo worden herzien dat het eigen karakter van elk der onderdelen en hun onderlinge samenhang duidelijker spreken en een godvruchtig en actief deelnemen van de gelovigen gemakkelijker wordt' (SC 50).

Wij vragen: Gegeven het feit dat in de Vaticaanse Instructie deze aanbevelingen niet terug te vinden zijn, integendeel, met betrekking tot de leken voortdurend en alleen verboden, misbruiken, grenzen en verplichtingen worden aangegeven, is het dan niet nodig dat het 'College van Bisschoppen' zich uitspreekt ten gunste of ten ongunste van de rol van de leken in de liturgie als die van 'zwijgende toeschouwers' of als tijdelijke vervangers van de gewijde bedienaren, met als enige opdracht om 'amen' te zeggen?

 

8. ABSOLUTE PRINCIEPEN

De Instructie is uitgedacht om de bestaande verschillen tussen het priesterschap van het doopsel en het gewijde priesterschap opnieuw te bevestigen (die 'wezenlijk en niet alleen naar rangorde verschillen') en 'omdat sommige praktijken om aan het tekort aan gewijde bedienaren binnen de gemeenschappen tegemoet te komen, in enkele gevallen steunen op een opvatting van het algemeen priesterschap van de gelovigen welke zijn aard en specifieke karakter verwart; zij werkt onder andere de vermindering van de kandidaten tot het priesterschap in de hand'.

De Instructie besluit dan heel coherent: 'Wanneer in de gemeenschap de priester afwezig is, is zij in feite beroofd van de aanwezigheid en de sacramentele functie van Christus', waarom het 'een ernstig misbruik is dat een niet-gewijde gelovige feitelijk quasi-voorzitter is van de eucharistieviering'. En dat alles opdat 'de kerkelijke identiteit van een ieder veilig gesteld wordt' en 'om geen dwalingen bij de gelovigen te wekken'.

Wij vragen: Wordt er niet een ernstige dwaling bij de gelovigen gewekt door te onderrichten dat de princiepen absoluut zijn en het leven van de gelovigen een bijzaak, gezien het feit dat gemeend wordt dat het te verkiezen is dat miljoenen katholieken beroofd blijven van de eucharistie zolang het dogmatisch-kerkelijk 'princiep' onaangeroerd blijft? Met andere woorden: Hoe is deze houding van de Vaticaanse Curie te verenigen met wat Jezus Christus ons leert: 'de sabbat is er voor de mens en niet de mens voor de sabbat'?

 

9. HET TAALGEBRUIK

Het taalgebruik dat in de Instructie overheerst, is het volgende:
· 'om pastorale afwijkingen en disciplinaire misbruiken te vermijden';
· 'toepassing van de geldende bepalingen';
· 'de nodige en passende middelen om te voorkomen';
· 'bestaande disciplinaire normen toepassen';
· 'het onderscheid eerbiedigen van de functies';
· 'het is niet geoorloofd dat de niet-gewijde gelovigen …'
· 'canon 766 van het Wetboek van Canoniek Recht stelt de voorwaarden vast waarop …'
· 'in geen enkel geval gaat het om een recht dat hen eigen is';
· 'dat men steeds moet handelen volgens de voorschriften van de Bisschoppenconferentie';
· 'die de beoordeling van de Heilige Stoel nodig hebben';
· 'de preek door niet-gewijde gelovigen kan toegestaan worden als plaatsvervanging van gewijde bedienaren';
· 'iedere vroegere norm waardoor niet-gewijde gelovigen de homilie konden houden als opgeheven te beschouwen';
· 'het juiste begrip en toepassing van deze canon vereist zorgvuldige inachtneming van de clausules';
· 'volgens de tekst van de canon alleen toekomt aan de priester';
· 'de norm bepaalt dat';
· 'het aanbieden van het ontslag betekent niet dat hij ipso iure van zijn pastorale ambt ontheven wordt';
· 'deze organen … die opgenomen zijn in de canonieke wetgeving';
· 'de normen van het wetboek over de priesterraad';
· 'kunnen het actieve of passieve stemrecht niet bezitten';
· 'beslissingen zonder de pastoor zijn daarom ongeldig en hebben dus geen waarde';
· 'alleen geldig wanneer een dergelijke instemming vereist is door het recht';
· 'neme men de noodzakelijke maatregelen om hen conform te maken aan de geldende wetgeving van de kerk';
· 'de canonieke richtlijnen betreffende de buitengewone bedienaren van de H. Communie moeten op een juiste manier toegepast worden';
· 'kan de volmacht voor een enkele gelegenheid (ad actum) gegeven worden';
· 'de taak is waarnemend en buitengewoon en moet uitgeoefend worden volgens de normen van het recht';
· 'steunt de canonieke wetgeving op de leer';
· 'moet de normatieve canon over de geldigheid van de delegatie in acht genomen worden';
· 'in het bijzondere geval voorzien in canon 1112 van het kerkelijk wetboek';
· 'De particuliere wetten en de geldende gewoonten die tegengesteld zijn aan deze normen, worden herroepen, zoals eveneens eventuele bevoegdheden die, door de Heilige Stoel of door welke andere aan haar onderworpen autoriteit ook, ad experimentum zijn verleend.'

Wij vragen: Is dit het geëigende taalgebruik van het Rijk Gods, van het Volk Gods, van het Mystieke Lichaam van Christus, van de 'bewerkers van communio'? Zijn niet juist de 'seminaries' de plekken waar dit soort taalgebruik, die eigen is aan de instellingen van de 'wereld', gestructureerd en doorgegeven wordt?

 

10. DE BISSCHOPPEN

In de Conclusie van de Instructie lezen wij duidelijk:
· 'De Heilige Stoel vertrouwt dit document toe aan de pastorale zorg van de diocesane bisschoppen van de verschillende particuliere kerken en aan de andere ordinarissen, in het vertrouwen dat de toepassing ervan overvloedige vrucht zal dragen …'
· 'Dit document beoogt precieze richtlijnen te geven om de daadwerkelijke medewerking van niet-gewijde gelovigen te garanderen …'
· 'de gewijde herders die geroepen zijn hun eigen taak te vervullen om de "gemeenschappelijke discipline van de gehele kerk te bevorderen en daarom het onderhouden van alle kerkelijke wetten te urgeren" (CIC 392).

Degenen die de Vaticaanse Instructie ondertekenen verzekeren heel oprecht dat:
· het gaat om een 'richtlijn'
· het College van Bisschoppen geen deel heeft gehad in de voorbereiding
· de bisschoppen verplicht zijn de hun toegezonden tekst toe te passen, en bovendien met ijver (en zonder enige oordeel vooraf).
De sterke indruk wordt gewekt dat de Herders hieruit vooral gezien worden als Vaticaanse politiecommissarissen belast met de 'kerkelijke discipline' en en het doen 'onderhouden van alle kerkelijke wetten'.

Wij vragen: Hoe moet volgens de Vaticaanse Curie deze figuur van 'herder' verenigd worden met die van de 'Goede Herder' volgens Jezus Christus?
En hoe kan de stelling van de Instructie dat 'het gewijde ambt gebouwd wordt op het fundament van de apostelen' in overeenstemming gebracht worden met het feit dat de paus en de Curie de bisschoppen en de gewijde bedienaren behandelen als ondergeschikten die op geen enkele wijze deel hebben aan de pastorale beslissingen en niet eens het recht, de verplichting, er een evangelisch oordeel over te vormen?

 

Beste Bisschoppen,
tot slot voegen wij een tekst van paus Gregorius de Grote,
uit de zesde-zevende eeuw,
die als volgt sprak tot de geloofsgemeenschap:

'Ik weet inderdaad dat ik veel zaken die ik alleen niet kon begrijpen, pas heb kunnen begrijpen wanneer ik mij temidden van mijn broeders bevond. In deze wetenschap heb ik ook getracht te begrijpen van wie de verdienste van het begrip dat me gegeven was, kwam. Op deze wijze, met de genade van God, gebeurt het dat de kennis toeneemt en de hoogmoed afneemt, terwijl ik dank zij u leer wat ik u onderwijs. Want - ik erken dit in alle eenvoud - meestal luister ik met u naar wat ik u zeg. Bij de lezing van deze profeet (Ezechiel) is het daarom mijn geestelijke onwetendheid wanneer ik er weinig van begrijp; maar als ik daarentegen in de betekenis ervan kan doordringen, komt dit door de genade van God die uw aanhankelijkheid mij verstrekt.'
(Gregorius de Grote, Hom.inEz. II, 6; PL9488D-949A)

Om uit te leggen dat een meester ook een leerling van de gelovigen is omdat dezen beter dan hijzelf het Woord van God kunnen begrijpen, herhaalt hij bij een andere gelegenheid:

'Indien voor iemand die naar mij luistert of mijn woorden leest …. mijn interpretaties niet erg voldoen, dan volg ik die rustig zoals een leerling zijn meester. Ik beschouw het als een gave al wat hij, beter dan ik, zou kunnen voelen en begrijpen.'
(Gregorius de Grote, Mor.30,27, PL:76,569C-570A)

Tot slot vragen wij: Hoe is deze mening van paus Gregorius de Grote in overeenstemming te brengen met wat de Instructie van de Heilige Stoel zegt? Met andere woorden: Welke van de twee is (het meeste) in overeenstemming met het evangelie?

___________________________________